Simone's Sarah Site
De tekst van Simone's referaat over "de schilderingen van Andrea Bonaiuto in de Spaanse kapel en hun relatie tot de dominicaner orde" :


Dames en heren,

We staan hier in de Spaanse kapel van de Santa Maria Novella, bij de schilderingen van Andrea Buonaiuto.

Ik zal jullie eerst de opbouw van mijn betoog vertellen.
Ik begin met een inleiding over deze kapel zelf. Dan vertel ik over de schilder, Andrea di Bonaiuto, de opdrachtgever Guidalotti en de ontwerper, Passavanti.
Daarna licht ik de dominicaner orde toe, aan de hand van het fresco links van ons, waarop Thomas van Aquino het middelpunt is.
Als ik dat behandeld heb, wil ik stilstaan bij de achtergrondsituatie in Florence, circa 1350.
En daarna zal ik enkele elementen uit het fresco rechts van ons toelichten. En tenslotte zal ik tot een conclusie komen.

Mijn opdracht luidde: De schilderingen van Andrea Buonaiuto en hun relatie tot de dominicaner orde.
Zoals jullie zien, zijn alle muren plus gewelf van fresco's voorzien. De fresco's hangen qua onderwerp en thema allemaal met elkaar samen, ze vormen een totaalkunstwerk.
Omdat bespreking daarvan te veel tijd vergt, beperk ik me tot twee van de fresco's, De Apotheose en De Kerkestrijder. Deze twee hebben namelijk eenzelfde doel en ze vertellen allebei iets over de dominicaner orde.
De vraag die als eerste bij mij opkwam was: Waarom kozen de dominicanen voor dit beeldprogramma, en wat wilden zij ermee tot uitdrukking brengen?
Mijn vraagstelling spitst zich toe op twee invalshoeken, de politiek-godsdienstige en de sociaal-economische, en luidt:
Zijn de fresco's in de Spaanse kapel een typische uitdrukking van de tijdgeest in de tweede helft van de 14e eeuw in Florence, of zijn zij een tijdloos symbool van de dominicaner orde?

De kapel.
De kapel waar we nu staan was van oorsprong de kapittelzaal van de dominicaner orde. Hij deed dienst als vergaderzaal, ook voor vergaderingen op provinciaal niveau, en voor de inquisitie. De zaal heette destijds nog niet de Spaanse kapel.
De naam Spaanse kapel is door Eleonora van Toledo gegeven in 1566-67 toen de kapel overgedragen werd aan de Spaanse gezant in Florence. Hierna is de naam Spaanse kapel ingeburgerd.
In deze zaal werden kandidaten voor de orde geïnterviewd, en al dan niet toegelaten tot de orde. De prior werd er gekozen. Er werden ook plechtige bijeenkomsten gehouden, zoals het wassen van de voeten van de broeders op Heilige donderdag, maar ook de dagelijkse rituelen vonden hier plaats. Hier in de kapittelzaal zaten novices en ervaren priesters samen terwijl de dagelijkse mis gelezen werd. Het was dus een druk bezochte en belangrijke zaal.

De schilder.
De schilder is Andrea Buonaito, of Andrea di Firenze.
Vasari schreef de fresco's toe aan Simone Martini.
Hij prijst de fresco's omdat ze niet onderverdeeld zijn in afzonderlijke delen. Pas begin 20e eeuw worden de fresco's aan Andrea toegeschreven. Dit is gedaan op grond van overeenkomsten met ander werk, in Pisa.
Over Andrea zijn weinig feiten bekend. Zijn geboortedatum zou ca. 1320 liggen, dit wordt afgeleid uit het feit dat zijn naam in januari 1346 voorkomt op een gildelijst. Van 1355 tot 1365 woonde Andrea in Florence.
Op 31 december 1365 tekende hij het contract om de fresco's binnen twee jaar af te maken. Hij heeft woord gehouden, de fresco's waren in 1368 klaar. Zijn loon was 325 gouden florijnen, plus gratis wonen bij de kapel in de buurt.
Tussen 13 juli 1366 en 31 mei 1367 wordt hij ook meerdere keren als bouwmeester van de bouw- of tekencommissie van de Dom van Florence genoemd. Hij is in Pisa overleden. Er is geen exacte overlijdensdatum bekend.

De opdrachtgever
Het geld voor de kapel kwam van Mico de Lapo Guidalotti. Guidalotti was een rijke zakenman.
In zijn testament bepaalde hij dat al zijn geld voor de bouw en de decoratie van de kapel bestemd was. Zijn eerste vrouw was aan de pest overleden.
Guidalotti werd in deze kapel op 4 september 1355 begraven. Zijn familiewapen is hier ingemetseld, en hij staat zelf op het tweede fresco dat ik zal bespreken. Guidalotti heeft waarschijnlijk nog wel het programma voor de fresco's met de ontwerper besproken.

De ontwerper
Als ontwerper van de fresco's wordt Jacopo Passavanti aangemerkt, theoloog en prior van de dominicanen.
Hij was populair, en hield drukbezochte preken, die hij later bundelde tot een veelgelezen boekje: Lo Specchio della vera Penitentia (Spiegel van de ware boetedoening).
De preken waren echte donderpreken, vol dreiging met hel en vagevuur. En gelukkig ook legio aanwijzingen over hoe boete te doen voor als het toch fout gegaan was.
Van het ontwerp van de fresco's is nooit een geschreven opdracht of ontwerpplan gevonden. Mogelijk dat de ideeën van Passavanti na zijn overlijden in de Studium Generale van het klooster zijn uitgewerkt.
Passavanti overleed in 1356, dat is dus tien jaar voor de daadwerkelijke uitvoering van werk.

Iets over de domicaner orde.
De officiële naam van de orde luidt: Orde der Predikbroeders (Ordo fratrum praedicatorum, afgekort O.P.)
De orde is in 1215 gesticht door de heilige Dominicus. Het is een broederschap met een democratisch karakter, met gekozen priors.
De orde is een bedelorde en een predikorde.
De orde heeft twee speerpunten: het bestrijden van ketterij, en het verspreiden van het geloof. Die leer was het allerbelangrijkste, de leer ging gaat zelfs boven het gebed.
De orde neemt een belangrijke plaats in in de kerkgeschiedenis, en kent vele 'kopstukken', waarvan Thomas van Aquino er een is.

Iets over Thomas van Aquino.
Ik zal jullie kennis over Thomas uit de Inleiding in de filosofie even opfrissen.
Thomas wordt geboren in 1224 of 1225, in een adelijke familie. Hij wordt door zijn ouders aan een benedictijner klooster geschonken, en hij wordt dus door benedictijnen opgevoed.
Op zijn 15e gaat Thomas in Napels studeren. Daar komt hij in aanraking met de dominicaner orde.
Hun denkbeelden, met name over armoede spreken hem zeer aan, en wil dan ook toetreden tot hun orde. Dit is tegen de zin van zijn ouders, omdat de dominicaner orde minder aanzien heeft dan de benedictijner orde.
Zijn ouders sluiten hem een jaar op. Dat is ook de periode dat zij hem die vrouw op zijn dak sturen die hij weet te weerstaan, en zelfs wegjaagt met een brandend stuk hout.
Zijn familie geeft de strijd uiteindelijk op, en Thomas studeert verder in Parijs en Keulen. Na Keulen keert hij weer terug naar Parijs, waar hij het eerste van zijn twee hoofdwerken schrijft, de Summa contra Gentiles (Overzicht tegen de heidenen). In dit werk wordt het cristelijk geloof verdedigd tegen aanvallen van niet-christenen.
Teruggekeerd in Italië krijgt Thomas opdracht om in Rome een studiecentrum op te zetten voor jonge dominicanen. In die periode werkt hij aan zijn tweede hoofdwerk, de Summa Theologicae. Dit is een overzicht van de theologie, een boek voor theologiestudenten.
Hij overlijdt in Napels op 7 maart 1274, waarschijnlijk aan een hersenbloeding.
Vijfig jaar na zijn dood wordt Thomas heilig verklaard. Zijn boeken werden de basis voor een groot deel van de leer van de katholieke kerk.

Bespreking van De Apotheose.
Dan nu de Apotheose. De voorstelling is opgebouwd rond Thomas van Aquino.
Er zijn diverse titels: Apotheose van Thomas, De Triomf van Thomas, of de Allegorie van het katholieke geloof. De namen worden door elkaar gebruikt.
Het fresco symboliseert de kerkhiërchie, en zoals gezegd, verwoordt Thomas diezelfde kerkhiërarchie in zijn Summa Theologicae.
De middeleeuwse theologische en filosofische hiërarchie bestond uit de reeks: planten, dieren, mensen, heiligen, engelen en tenslotte god. Deze reeks zie je hier ook min of meer terug. Ieder had zijn eigen plaats in het systeem.
Thomas zit in zijn zwarte dominicaanse cape op een gotische troon. Hij houdt het boek van de wijsheid tegen zijn borst. Boven zijn hoofd, in een ronding in de troon is een mannenfiguur afgebeeld, met spiegel en een open boek in zijn handen. Dit zijn de symbolen voor wetenschap en kennis.
Boven Thomas zweven de zeven deugden, met Caritas als de voornaamste deugd bovenaan. Naast Thomas zitten de profeten en evangelisten.
Dan, onder de voeten van Thomas de drie ketters, waarover straks meer.
Boven de tronen zien we (links van de ketters) de zeven gaven van de heilige geest, en rechts de zeven planeten. De rij daaronder is voor allegorieën van de wetenschappen met hun wereldse vertegenwoordiger. Links de zeven theologische wetenschappen.
De betekenis van de figuren hier links beneden is niet van allemaal duidelijk. De oorspronkelijke bijschriften zijn verdwenen, en dat maakt het onmogelijk de figuren goed te duiden. Het zijn in elk geval zeven theologische wetenschappen.
Rechts de vrije kunsten, de artes liberales, ook met hun aardse vertegenwoordigers. Deze artes vertegenwoordigen de leergangen aan de middeleeuwse universiteiten.
Ik wil even wijzen op de vierde figuur van links. Op hem kom ik straks terug. Het is een smit, en hij slaat met twee hamers op zijn aambeeld.
Onderaan heeft een van de figuren na een restauratie drie armen (op de kopieën heb ik het nog niet kunnen zien).
Gehurkt/ineengedoken zitten aan de voeten van Thomas drie verslagen leiders van ketterse sekten: Sabellius, Averoës en Arius. Ze worden onder de voeten van Thomas vertrapt, lijkt het wel. Ook zou je kunnen zeggen dat zij niet in het beeld horen, ze zweven het plaatje uit, weg ermee… Doordat zij niet binnen de strakke lijn van de schildering passen, krijgen ze ook symbolisch geen plaats in de kerkelijke wereld. Ze krijgen letterlijk geen plaats in de kerkhiërchie.
Waarom was Thomas zo fel gekant tegen Averroës?
Averroës, geboren in 1126, overleden 1198 was een Arabisch filosoof. De kern van zijn leer is dat stof en beweging eeuwig en ongeschapen zijn. Iets kan niet uit niets ontstaan (of: niets kan uit niets voortkomen).
Het gevaarlijkste van zijn leer waren standpunten over de sterfelijkheid van de ziel, of het verstand. Het individuele menselijke verstand is sterfelijk volgens zijn leer. Hieruit trok hij de conclusie dat de onsterfelijkheid van de ziel niet bestaat, en tevens dat het hiernamaals niet bestaat.
Voor de kerk was dit een onverteerbaar standpunt, want hij zette hij hele de kerkleer hiermee letterlijk op de tocht. Dit was een fundamentele omkering van de bestaande kerkleer. Zijn ideeën kregen bij tijden veel aanhang, ook in Florence.

Dit fresco is uniek, er is geen voorbeeld van bekend. Het zit ook vol prachtige details, let bijvoorbeeld op de attributen, die de personificatie bij zich hebben.
Thomas wordt hier niet als heilige afgebeeld of vereerd, maar als geleerde.
Hij wordt geëerd vanwege zijn inbreng, zijn boeken, zijn leer.
Toch maakt het fresco erboven (zo zie je ook gelijk dat er nu al drie fresco's met elkaar te maken hebben) op het gewelf ook iets anders duidelijk: namelijk dat ook Thomas niet zomaar aan zijn kennis komt.
Je kunt het aan Thomas zelf ook zien, hij kijkt naar boven. Op dat fresco boven hem staat de Uitstorting van de Heilige Geest. Nu wordt duidelijk wáár Thomas al zijn kennis dus vandaan heeft… namelijk van god.

Dat maakt het geven van een naam aan dit fresco ook moeilijk. Is het een verheerlijking, een apotheose?
Goed, maar dan verheerlijking van wie? Van Thomas, of van de kennis die van god komt? Is het een triomf? Over de ketters, over Averroës?
De ketters lijken verslagen, maar ze zijn er nog steeds… Omdat de voorstelling in elk geval wel duidelijk de kerk symboliseert, heb ik een voorkeur voor de naam Allegorie van het katholieke geloof.

Ik heb de namen van de figuren/personen op het fresco in kopie bij me, wie wil kan straks zelf nazien of hij personen herkent, bijvoorbeeld aan attributen.

De Alllegorie wordt ook wel de intelligente, of de geleerde kant genoemd. Dan zouden we nu het moeilijkste gedeelte al gehad hebben!
We gaan naar de andere kant. Die kant zou voor iedereen in één oogopslag te duiden moeten zijn, dit als tegenhanger voor de geleerde kant. We zullen zien of dat ook zo is.
Ook dit fresco heeft in de loop van de tijd verschillende namen gekregen. Het wordt De Kerkestrijder en Overwinnaar, ook wel De weg naar de Zieleheil of de Via Veritatis genoemd. Het is zoals jullie zien een groot verhalend fresco. Je zou het bijna een stripverhaal kunnen noemen.
Ik wil eerst een schets geven van de situatie in Florence, in de tweede helft van de veertiende eeuw, de tijd dat de fresco's gemaakt zijn.

Sociaal-economische achtergrond van Florence in de tweede helft van de veertiende eeuw.
Vanaf begin 1300 gebeuren er in Italië allerlei rampen:
- er is een algemene koude- en regenperiode in Europa tussen 1300 - 1347, met stagnatie van de economie als gevolg. Florence heeft hier in eerste instantie weinig last van. 1338 is bijvoorbeeld een supertijd. Florence hoort bij de 5 rijkste steden van Eruropa, met grote bloei, 90.000 inwoners, industrie, rijkdom. - 1329 moest Luca kost wat kost ingenomen worden, mening van vooral rijke handelsmensen. Kosten hiervoor rezen de pan uit. Economie komt onder druk te staan, strijd tegen Luca mislukt, en politieke onrust steeks de kop op. - In 1333 overstroming van de Arno (toen werd al gesuggereerd dat het een waarschuwing van god was voor Florence, voor hun duivelse praktijken en gewoonten, zoals hebzucht, fraude, woekerrente. Overstroming kwam Florence nog goed te boven, bruggen hersteld, en er grote kerken gebouwd. 1334 Campanile, 1337 Or San Michele - 1339 wordt er een komeet gezien, gevolgd door donderbuien. Hierop volgt een slechte oogst, met hongersnood als gevolg - In 1340 is de eerste pestuitbarsting. Door honger verzwakte bevolking is gevoelig. 15.000 doden. - De tijd van de Grandi-opstanden volgen, van de families Bardi, Frescobaldi, Nerli en Rossi - 1342 ontstaat er chaos. Door de Engels-Franse oorlogen stort de Europese de economie in. In Frankrijk raken de Florentijnse banken uit de gratie omdat Florence Engelijk steunt. Hulp van Paus en Napels worden geweigerd, en Napels vraagt zelfs geleend geld terug - Hulp van Walter van Brienne wordt ingeroepen. Lukt niet, handwerksmannen en werkmensen krijgen geen werk meer en houden hem verantwoordelijk. - September 1343 straatgevechten tussen magnaten, en een volksfront van handelaren, handwerkslui, en werkers. De grandi werden verslagen, en voor het eerst komen er vertegenwoordigers van de 14 lagere gilden in de regering. Het is al een puinhoop op dat moment: Florence heeft Arezzzo, Pistoia en Volterre al verloren, wat ook nog gezichtsverlies geeft. - Nieuwe bestuur is niet stabiel, veel pogingen om uit zadel te wippen. - 1344 klagen de werklui dat er niets te verdienen valt. - 1346 sprinkhanenplaag, hagelbuien die de oogst vernielen - 1348 pest, met waarschijnlijk 50.000 doden op bevolking van 80.000

In eerste instantie trekt de economie trekt aan, met name Lanagilde speelt het handig, voorkomt te hoge lonen, en let op eerlijke verdeling van het werk.
- Tussen 1349 en 1356 treden meer dan 100 nieuwe leden toe in de Lana. 224 in de Gambio en de waarde van de florijn stijgt weer. - De monte, de stadskas voor schulden, was een goed alternatief voor geldbelegging. Geldschieters worden er rijk van, dit zijn de gente nuova. Gente nuova worden gedefinieeerd als personen van wie de familie niet vertegenwoordigd was in de signoria van 1343. Ze komen van 1350 veelvuldig voor in de Calimala (De van oorsprong rijke families Bardi, Alberti, Strozzi en Albizzi blijven rijk, maar de gente nuova zijn in opkomst.)

Sociale structuur:
1. patriciers
2. gente nuova (= pas rijk geworden handelaren)
3. kleine burgerij (= vakmensen, artisan-shops)
4. ongeorganiseerden, bezitloze arbeiders


De artifici (bakkers, slagers, wijnverkopers, kruideniers, schilders, timmerlui, steenmeesters, schoolmeesters) waren in de arti minori,de lagere gilden verenigd. Zij waren wel hoger dan de ongebondenen, de echte arbeiders. In praktijk was er weinig onderscheid met de arti maggiori (detailhandel, notarissen ed.d.) Hun belangen echter waren stedelijk, niet landelijk zoals van de grote handelaren.
De artifici leefden op kleine schaal, conservatief en traditioneel ingesteld. Dat hebben ze wel met de uppercalaass gemeen.
1343 - 1363 continu politieke onrust 1346 sprinkhanenplaag, hagelbuien die de oogst vernielen 1352-1353 hongersnood grote oorlogen: 1351-53 milaan en 1362-64 pisa 1354-55 karel IV dreigt bestuur over te nemen

De gente nuova waren rijk geworden na de pest, wilden betere omstandigheden voor zich zelf creeeren. Handwerkslui vragen hogere lonen. Tekort aan arbeidskrachten: uit provincie gehaald. Weer de pest 1363, dit dempte onrust. Plus nieuwe aanvoer provincie, die niet op hoogte waren politieke onrust.

De pest heeft naast demografische en economische ook emotionele gevolgen: boetvaardigheid, inkeer, ernst en levensangst overheersen de gevoelens. De mensen waren letterlijk doodsbang.
Hiertegenover komen pluk-de-dag gevoelens en luchthartigheid voor, en ironie en plezier, denk aan Boccaccio's Decamerone. Maar angst en wanhoop overheersen.
De gedachte vat post dat de overlevenden boete moeten doen, om nog erger te voorkomen. Ongetwijfeld was alle ellende te wijten aan slecht gedrag (dat was al in 1333 gesignaleerd) en was het straf voor de zonde. Boetedoening en caritas, in de vorm van weldaden speelden een grote rol.
Liefdadigheid, met name richting de kerk was in alle bevolkingslagen te vinden. De mensen worden bijzonder godvrezend en de rijke kooplieden schenken al hun geld weg, aan de kerk. De van oorsprong ascetische bedelorden (dominicanen en franciscanen) worden rijk, en 'krijgen' ieder hun eigen kerk: de Santa Croce voor de franciscanen en de Santa Maria Novella voor de dominicanen.
De sfeer wordt puriteins, sober, met een verlangen naar vroeger, naar de goede oude tijd van voor de pest, toen alles nog min of meer goed was, en in elk geval beter dan nu. Er ontstaat een behoudende, ouderwetse cultuur. Luxe kleding wordt bijvoorbeeld verboden. Overigens worden alleen de vroegere rijken voor het dragen van luxe kleding beboet. Sommige aristocratische families krijgen boetes voor zogenaamde wetteloze activiteiten. Prostitutie wordt verboden.

Kerkelijke problemen en bestuurlijke problemen raken verstrengeld.
Een voorbeeld is de vraag van de paus om hem te helpen bij zijn strijd tegen Milaan.
Het stadsbestuur kan het er niet over eens worden. Hamvraag is hoe het eventueel behaalde voordeel van deze strijd te verdelen. Hierbij moet gedacht worden aan hoge kerkelijke functies - die als beloning toegezegd werden Wie kregen die posten? Alleen de rijke patriciërsfamilies? Of niet?
De gente nuova voelden uiteraard niets voor deze oorlog, die hun geen winst zou opleveren. Toch werd (na acht jaar pauselijk gelobby) militaire hulp toegezegd, maar tot een formeel akkoord komt het niet door heftig verzet vanuit het stadsbestuur.
De paus liet Florence als hulptroep schieten, en richt zijn hoop op verder op Napels, Siena en Perugia.

In de kerkpolitiek is ook een en ander aan de hand in deze periode:
Tussen 1305-1378 is er het Avingnons ballingschap van de pausen. Dit geeft minder aanzien voor het instituut paus tot gevolg (je ziet ook dat de paus maar niet zomaar geholpen wordt). Op korte termijn versterkt de pest de financiële postitie van de kerk en de lekenbroederschappen.
Maar door de herhaalde pestepidemiën begint men de moed te verliezen en de mensen verliezen vertrouwen in kerk en god, en daarmee in de katholieke hiërarchie.
Sommigen beweren dat de pest een straf van god is. Ook sterven er vele priesters, 28% van de kardinalen in Italië sterft in 1348, 25 aardsbisschoppen en 207 bisschoppen, waardoor de geloofwaardigheid van de kerk als heilig instituut minder wordt. Als de pest een straf is voor heidens gedrag waarom gaan er dan zoveel priesters dood??
Tegelijkeretijd neemt de populariteit van extreme groeperingen toe. Openbare boetedoening wordt populair, met afstraffingen en zwepenslagen.
In Florence treden Flagelanten en Fraticelli op de voorgrond en ze krijgen veel aanhang.
De leer van Averroës was zeer populair, en zijn ideeën laaien weer op. Vooral zijn idee over de onsterfelijkheid van de ziel, die niet zou bestaan, en dat het hiernamaals niet zou bestaan, zijn een bedreiging voor de gevestigde kerken. Met name de navolgers van Averroës zouden de christelijke grondslagen ondermijnen. In 1365 vaardigt de paus een bul uit, om de inquisitie feller tegen deze ketters op te laten optreden.
Er gebeuren dus globaal twee dingen, waar de dominicanen mee te kampen hadden:
- kerkpersoneel gedecimeerd (van de 140 broeder overleden er 60) door de pest - kerkbevolking gedecimeerd door: pest, twijfel en aanhang extreme groeperingen. De kerk moet dus:
- nieuw personeel werven - nieuwe zieltjes winnen, en dan met name onder de nieuwe middenstand (de rijken waren traditioneel al bij de dominicanen)

Ook moest de kerk de minder ontwikkelde middenklasse de kerkleer goed uitleggen. Om nu aan deze eisen tegemoet te komen, ontwikkelden de dominicanen een beeldprogramma, toegespitst op deze groep om de kerkleer uit te leggen.
Eigenlijk gebruikten ze de beeldende kunst om hun theorieën aanschouwelijk te maken. In de beeldtaal werd teruggegrepen op 'de goede oude tijd' van voor de rampen. Terug in de kunst, met meer vervlakking, en anti-illusionisme.
De dominicanen komt deze 'verouderwetsering' goed van pas want zij vinden alle nieuwigheden ketterij. Ze zijn bang voor verwereldlijking van de kunst. Ze richten in Pisa een groot frescopanneel op met veel schrift erin verwerkt, een sombere cyclus, met de hel als middelpunt (typisch tijdgeest).

Het aardige is, dat dit fresco's, waar we nu staatn, ná Giotto gemaakt is.
Andrea moet de principes van het centraal perspectief gekend hebben. En toch zie je hiervan niets terug op dit fresco. Het lijkt wel diepte te hebben, maar die is niet te objectiveren.
Ook de maatvoering van de personen is niet correct. De maat hangt van de positie van de persoon af, en niet van zijn logische plaats op het fresco.
Dit niet toepassen van al bekende principes van centraal perspectief en correcte maatvoering wordt een tegemoetkoming genoemd aan de opklimmende middenstand, die immers zozeer naar de goede oude tijd terug verlangde, die tijd vóór Giotto, toen er nog 'plat' geschilderd werd.
De smit met zijn twee hamers die op zijn aambeeld slaat (van de overkant) zou om die reden ook zo merkwaardig 'arbeidzaam' in beeld gebracht zijn. Dit was eerbetoon aan de middenstanders! Ook het verzameling mensen op het fresco van de Kruisiging, wordt om die reden wel een specifieke arbeiderspopulatie genoemd. De meningen zijn hier overigens verdeeld over.

Nu het fresco zelf.
Het wordt De Kerkestrijder en Overwinnaar, ook wel De weg naar deZieleheil of de Via Veritatis genoemd.
Zoals Thomas aan de overkant centraal staat, staat hier Dominicus centraal. Hij staat zelfs drie keer afgebeeld. Dominicus was de stichter van de orde van de predikbroeders.
Omdat het fresco een weg laat zien, stel ik voor dat wij gezamenlijk de weg volgen.
Ik begin linksonderaan, vertel daarna iets over de bekeringen rechtsonderaan, daarna over de vier personen op het bankje. We lopen verder langs de kinderen in de fruitbomen, en Dominicus in het midden. Via de Hemelpoort met Petrus komen we bij God of Christus.

De grote witte kathedraal was op het moment van de schildering in aanbouw in Florence. Andrea zou ook betrokken zijn bij het ontwerp voor deze kerk. De dom was alleen nog in het stadium van tekeningen, en de kerk is in deze vorm niet gebouwd. De kerk stelt hier de Universele Kerk voor, die vanuit het aardse bestaan naar de hemel reikt, die er recht boven ligt.
Hier zie je de gelaagdheid al: het lijkt gewoon een kerk, maar de symboliek is duidelijk: je kunt niet in de hemel komen als het niet via de kerk is, je kunt niet rechtsstreeks in de hemel komen.

Ik wil jullie aandacht voor het groepsportret linksonderaan vóór de kerk vragen. Het is een groepsportret met vooraanstaande kerk- en wereldlijke heersers, omgeven door de christelijke gemeente. De figuren symboliseren uiteraard kerkelijke en wereldlijke macht.
Ik zal er een paar noemen.
De meest prominente figuur is de paus. Hij zit precies in het midden. Het is paus Urban V (1362-1370), die in oktober 1367 vanuit ballingschap terugkeerde naar Rome. Links van hem kardinaal Gil de Albornoz, aardsbisschop van Toledo, die zich beijverd had voor de terugkeer. Links van de paus zit Keizer Karel IV (1347-1378), die ook voor terugkeer van de paus was, en zelfs naar Avignon was gereisd om dit voor te bereiden. De figuur links naast de keizer is Peter de Lusignac, Peter I van Cyprus, ook een aanhanger van de paus. De man met het pluimpje op zijn hoed zou de podestá zijn.
De opstelling van het groepsportret is min of meer symmetrisch, maar let op de details: de paus zit net ietsje hoger dan de keizer. Hij is toch belangrijker dan de keizer. Hij zit ook precies midden voor het raam in de kerk, in tegenstelling tot de anderen. Bij de paus lijkt het raam daardoor een troon. De keizer heeft schijnbaar een rijksappel in zijn hand, maar als je goed kijkt, zie je dat het een doodshoofd is!

Vóór de hoogwaardigheidsbekleders staan groepjes geestelijken en leken. De geestelijken, links, staan in groepjes bij elkaar te praten.
Hiermee contrasteren de leken die rechts staan, zij staan ieder apart, en hebben geen onderling contact. De man met het opvallende witte pak aan zou sir Edward le Despenser zijn, die zich op moment van schilderen waarschijnlijk in Florence bevond. Hij hoort bij de pauselijke militie.
Veel figuren zijn voor tijdgenoten te herkennen geweest. Ook de figuren die wat verder naar achter staan zijn duidelijk te onderscheiden: van bijna elke kloosterorde staan twee figuren afgebeeld, en voor tijdgenoten waren ze waarschijnlijk bekend. Er staan dominicanen, karmeliten, callombrosaner, camaldulenser, servieten, silvestrinen, humilaten, cisterziënzer, cluniazenzer en benedictijnen op. Ook vrouwelijke ordes zijn vertegenwoordigd.

Het lijkt een zeer vredig tafereeltje, en dit komt dus niet overeen met de realiteit van de jaren zestig, zoals boven geschetst. jaren van spanning en onrust, met een ontevreden bevolking.
De actualiteitswaarde van dit plaatje is hoog, omdat de paus op het moment van schilderen onderweg van Avignon naar Rome was.
De laatste rechter figuur voor de kerk zou de schilder, Andrea Buonaiuto zijn. Dit fresco is overigens het eerste waarin zoveel eigentijdse personen te herkennen zijn.

De honden
De schapen onderaan symboliseren met de paus samen de christelijke 'goedeherdergedachte'. Weer onder de schapen staan twee honden. Ze houden de wacht, de een kijkt naar rechts, en de ander naar links. Het is onduidelijk of de dieren waar ze op loeren vossen of wolven zijn, maar zowel de vos als de wolf vormen een bedreiging voor het schaap.
De honden symboliseren de rol van de dominicanen; honden van de heer. Hun zwart-witte vacht lijkt op de kleding van de dominicanen. Dat de ene hond naar links kijkt, kan erop duiden dat van de 'kerkelijke' kant geen gevaar te duchten valt. St. Dominicus is op dit tussengedeelte de belangrijkste figuur. Hij spoort met zijn staf de honden aan om de wolven/vossen aan te vallen en te verjagen. Dat doen ze dan ook, totdat ze uit beeld verdwijnen, helemaal rechts.

Rechts van St. Dominicus zien we Petrus de Martelaar. Hij probeert een aantal ongelovigen te overtuigen tot het ware geloof. Hij doet dat middels het gesproken woord. Je ziet dat hij de argumenten op zijn vingers aftelt.
St. Thomas daarentegen gebruikt het geschreven woord om de ongelovigen te bekeren. Hij wijst op een tekst (uit het begin van zijn boek, Summa contra gentiles -"Mijn mond zal de waarheid verspreiden en mijn lippen zullen goddeloosheid weerleggen". De ketters en ongelovigen reageren verschillend, sommige onverschillig, of nadenkend, anderen weerleggen zijn feiten.
Als je de twee bekeringen vergelijkt, lijkt de bekering door Thomas overtuigender te gebeuren. Niemand lijkt door Petrus overtuigd te worden, terwijl in de groep bij Thomas er twee voor hem neerknielen in gebed, en een ander verscheurt zijn ketterse boek zelfs. Anderen daarentegen blijven onverzoenlijk, een man bedekt zelfs zijn oren om de waarheid maar niet te hoeven horen.

We volgen de weg naar boven.
We zien kinderen dansen in een soort kelder, die de onderkant van een bank is. Een groep meisjes danst op de muziek van een doedelzakspeler. Hier links van zien we een meisje dat een tegenstribbelend jongetjes mee probeert te trekken, richting twee andere kinderen die in een boom zitten, en daar fruit plukken. Ook meer naar boven zien we fruit etende kinderen, in bomen. Een deelt er zelfs wat fruit uit aan andere kinderen. Pal boven de oude man staat een jongetje voor zich uit te staren, terwijl hij een hapje eet. Wat is nu de betekenis van dit tafereel? Er zijn verschillende visies:

Eén visie is dat de scence het hiernamaals symboliseert. Het fruit blijkt overwegend granaatappels te zijn. Granaatappels symboliseren de hoop op wederopstanding en onsterfelijkheid. Er is ook ander fruit, waarschijnlijk citrusfruit, en kersen. De tuin doet denken Solomons tuin - ik weet de precieze omschrijving niet.
De tuin is in elk geval een topos voor de middeleeuwse visie op het paradijs. Het fruit eten van de kinderen symboliseert de geestelijke reiniging, dit is als symbool een bekend gegeven uit middeleeuwen en vroege renaissance.

Uit die periode is ook de methode bekend om iets wat je wil benadrukken, daar juist het tegenovergestelde tegenover te stellen. Hierbij is de andere visie van belang, dus dat de kinderen de aardse genoegens symboliseren. Hier zou je het tegenstribbelende jongetje zo kunnen aanduiden. Hij wil niet weg van de aardse genoegens. Hij zou liever bij de dansende meisjes en de doedelzakspeler blijven. Door zijn tegenstribbelen benadrukt hij dus de goede bedoelingen van de ander.
Welke visie je ook aanhangt, er spreekt spreekt uit deze scene geen strenge boetedoening. Hier lijkt Passavanti weinig invloed op de schildering gehad te hebben.

Op de bank tussen de bosjes en struiken, boven de kinderen zitten vier personen, van rechts naar links: een oudere persoon, een vrouw die een schoothondje, een man met een valk, en een jonge vrouw met bloemenkrans, die op een snaarinstrument speelt. Ook hierover zijn de meningen verdeeld. In de volgende visie wordt ook de oude knielende man bij de interpretatie betrokken.
Aan deze scene ligt Dantes onderverdeling uit zijn Convivo ten grondslag ligt. Dante onderscheid vier verschillende leeftijden: adolescentia (tot 25 jaar) , gioventute (tot 44 jaar), senectute (tot 70 jaar) en senio (na 70 jaar). Volgens deze indeling zien we: senio: de oude man die geknield voor de monnik ligt, die de absolutie krijgt. Hij is voorbereid op een christelijke dood. Senectute wordt voorgesteld door de oudere man uiterst rechts op de bank, nadenkend, gekleed als een edelman, een gewaardeerd lid van de samenleving. Iuventute wordt voorgesteld door vrouw met het schoothondje plus de man met de valk.
Iuventute zou hier dan bij uitzondering als een tweetal worden voorgesteld, als een stelletje, herinnerend aan huwelijk en verkering. (Kijk nou eens goed, lijkt dit op een stelletje? Nee toch, die kunnen wel in relatietherapie).
Adolenscentia wordt voorgesteld door de jonge vrouw die het snaarinstrument bespeelt, links op de bank. Door de bloemenkrans lijkt ze op de dansende meisjes. Bij elkaar genomen vertegenwoordigen deze figuren de verschillende leeftijden van de mens, en daarmee van de hele mensheid.

Andere visie:
In deze visie zijn de figuren op de bank allegoriën.
De vier figuren vertegenwoordigen geen werelds mensenleven. Kijk eens naar hun gezichten, hoe treurig kijken ze voor zich uit. Deze personen zitten op het boetebankje te wachten tot ze aan de beurt zijn, na de oude man, die op dit moment boete doet.
En in deze visie kun je de Specchio van Passavanti wél tot uitdrukking zien komen. De vier figuren vertegenwoordigen dan de vier cose, vier dingen, zoals Passavanti ze noemt. Deze vier dingen zouden de mens van boetedoening weerhouden.
Vergogna = schaamte (de man in het groen, rechts), Paura = angst (de dame met het hondje),
Vana Speranza = ijdele hoop (de man met de valk), en Disperazione = vertwijfeling (de treurig kijkende vrouw links).
Dus zolang je last hebt van deze 4 cose, kun je nog geen boete doen. En, zegt Passavanti, de ware boetedoening opent de weg naar het paradijs…
De zeven dansende meisjes zouden de zeven doodzondes voorstellen, onder aanvoering van Superbia, de trots. De meisjes zien er ook niet gelukkig uit, en ze kijken ook 'de verkeerde kant' op, namelijk niet naar boetescene, hemelpoort en paradijs. De meisjes zijn geen individuen, ze hebben geen eigen attributen, omdat de zeven zonden eigenlijk in wezen één zonde zijn, namelijk de doodzonde. Doodzonde is de je niet op je doel afgaat, en dus geen boete doet.

Dit zijn twee visie op de geheimzinnige scene. We lopen verder.

Links zien we St. Dominicus voor de tweede keer in beeld, nu bijna in het midden, vlak boven zijn eerste afbeelding aan de onderkant. Hij wijst met zijn rechter hand het paradijs aan, hij wijst de oude man de weg ernaartoe. De oude man, die voor de priester knielt, zou de opdrachtgever Guidalotti zijn. Hij is dan als stichterportret afgebeeld. En de priester, die hem kennelijk de zonde vergeeft, of zegent zou Passavanti zijn.

Links van de boetescene gaan de gezegende zieltjes in de gedaante van kinderen door de hemelpoort. Petrus ziet er ontoegankelijk, bijna onvriendelijk uit.
Het lijkt wel of hij in de weg staat.
In het paradijs zien we de zieltjes niet terug. Wel (net zo in slagorde opgesteld als bij het groepsportret aan de onderkant), evangelisten en heiligen (vlnr vbno: Johannes en Johannes de Doper, Paulus en Andreas, daarachter Jacob en Petrus, Franciscus en voor de derde keer Dominicus, een paus, Thomas van Aquino (met geopend boek).
De rij daarboven bestaat uit oud-testamentische personen: Moses, Solomo, David.
En vier martelaren: Laurentius, Leonhard, Petrus de Martelaar en Stefanus. De andere personen zijn allen geïdentificeerd als 'bekende' kerkfiguren. Het paradijs is echter niet zacht en zorgeloos. De heiligen zijn stijf en zien er koud uit, ze staren gefixeerd omhoog naar de Redder, die hoog op een afstand, en gereserveerd boven hen troont, met boek en sleutel in de hand.

De apocalyptische god of de verschijning van Christus.
Christus zit apart, afzijdig en frontaal, opgesloten in de mandorla. Om de troon zweven engelen, plus vier wezens, met ogen op hun kleding/lichaam. Boek en sleutels in de hand van Christus vertegenwoordigen de dominicaner orde (sleutel = het redden van zieltjes en het boek = uitdragen van de leer).
Hoewel hij een indrukwekkende figuur is, blijft hij volledig geïsoleerd. Hij staat los van de scenes beneden hem. Hij verschijnt als de goddelijke macht van de verlossing, waarvan hij de uitvoering geheel overlaat aan de door hem aangewezen gezanten: de Kerk en de Dominicaner orde.

Conclusie
Ik hoop dat jullie enig idee hebben gekregen van het knappe van het beeldprogramma in deze kapel. Ik heb jullie iets verteld over twee fresco's van de acht!
Alle acht zeggen iets over de dominicaner orde. Alle acht hangen samen. De fresco's zijn allemaal zeer gedetailleerd, en zitten vol symboliek.
Wat moeten we van deze fresco's denken? Zijn de fresco's in de Spaanse kapel een typische uitdrukking van de tijdgeest in de tweede helft van de 14e eeuw in Florence, of zijn zij een tijdloos symbool van de dominicaner orde?
De twee fresco's symboliseren de kerkhiërarchie, op twee niveaus. Eén voor het kerkpersoneel, voor de nieuwe leden in de orde, en een voor publiek dat in deze ruimte kwam.
Er zijn veel eigentijdse elementen aan te wijzen, zoals we net hebben gezien, maar ook zonder uitvoerige uitleg is het laatste plaatje goed te begrijpen: alleen door de dominicaner orde kan een mens tot god/christus geraken. Tot die apocalyptische god van hagel, pest en hongersnood, die god die hen welgezind moest blijven. Dominicus is de Kerkestrijder, en de weg naar de zieleheil (denk nog even aan al de titels voor het fresco) is wel heel duidelijk gesymboliseerd.
Verlossing door christus, door middel van dominicaner gezanten is leidende thema. Het boek met de donderpreken, de Specchio van Passavanti vormt misschien wel de basis, maar de angstaanjagende bedreigingen zijn weggelaten. Juist door het weglaten van de bedreigingen zijn ze een tijdloos symbool geworden.
De fresco's tonen ook niets van de chaos, of van de wanhoop in die periode. Ze streven eerder naar verzoening (paus en keizer), eerbetoon aan lagere gildes, dan dat ze een reeël tijdsbeeld schetsen.
Dit pleit dus voor een tijdloze propagandafunctie. Het bewijs voor de propagandafunctie van het fresco is dat je het ook in deze tijd kan plaatsen:
de paus is nog steeds de paus, de keizer is Bush, met al zijn ministers, of Beatrix, op het bordes met de ministerrraad. De bekeringen vinden ook tegenwoordig plaats: denk aan de amerikaanse televisiedominees, of dichter bij huis, aan de Jehova's getuigen.
De dansende meisjes in de kelder: van kelder naar disco is maar een kleine stap. En het tegenstribbelende jongetje wordt nog even van de peppillen en de alcohol afgehouden door zijn bezorgde moeder.
De mensen op de bank zitten nog steeds te wachten, maar nu op de trein of het vliegtuig op Schiphol, ze gaan op reis naar hun eigen (vakantie)paradijs (jammer he, al die vertragingen!).
En vind je niet dat Dominicus een beetje op Andries Knevel van de EO lijkt?? En god is nog net zo apocalyptisch als altijd. Lees AIDS in plaats van pest, aardbeving in plaats van hagel en terreuraanslagen in plaats van overstromingen.
De fresco's zijn tijdloze symboliek voor de dominicaner orde. Maar gelukkig is redding mogelijk, via dominicanen, en via de kerk, via de VIA VERITATIS (breed armgebaar erbij denken!).

Einde.
naar Simone education Permanente