Gioacchino (Antonio) Rossini (1792-1868)

De Italiaanse componist Rossini, die ook wel de "Zwaan van Pésaro" werd genoemd, was van nederige komaf. Zijn vader was slachthuisinspecteur en stadstrompretter van Pésaro, hoewel niemand precies weet wat die functie inhield. Zijn moeder was de dochter van een bakker. De jeugd van Rossini was vrij chaotisch. Zijn vader werd een aantal malen gearresteerd vanwege zijn politieke overtuigingen, zodat zijn moeder, die een goede zangstem had, de kost moest verdienen als operazangeres. Rossini werd een tijdlang in de kost gedaan bij een varkensslager in Bologna. Later toen het gezin naar Lugo was verhuisd, leerde zijn vader hem de beginselen van het spelen op de hoorn en kreeg hij zangles van een priester.

In Bologna studeerde Rossini zang, klavecimbel en compositie bij Padre Tesei en leerde hij zichzelf vioolspelen. Nog vóór zijn veertiende was hij smidsgezel geweest, zanger in het theater, hoornist, begeleider en koorleider. In 1806 werd hij aangenomen op het Liceo Musicale te Bologna, waar hij zang, solfège, cello, piano en contrapunt studeerde. Hij hield zich intensief bezig met de werken van Haydn, Mozart en Cimarosa. Toen hij in 1810 het Liceo verliet, had hij o.a. al een opera (La cambiale di matrimonio , 1810) voltooid, die in 1812 in Venetië met succes werd opgevoerd. In dat jaar schreef hij zijn eerste opera voor de Scala in Milaan (Pietra del Paragone). Zijn bekendheid nam, niettegenstaande enige minder succesvolle werken, snel toe met Tancredi en l'Italiana in Algeri (beide Venetië, 1813).

In 1815 ging hij een contract aan met de impressario Domenico Barbaja (1778-1841) om jaarlijks twee opera's te componeren voor Napels en de leiding op zich te nemen van het Teatro San Carlo aldaar. Door deze opdrachten ontmoette hij de zangeres Isabella Colbran, de voormalige maîtresse van Barbaja, met wie hij enkele jaren samenwoonde voordat hij in 1822 met haar trouwde.

Portret van Rossini uit 1860, toen hij zich had teruggetrokken in Parijs. Het werk uit deze periode noemde hij "de zonden van de oude dag"

Eveneens in het jaar 1815 schreef hij voor Rome Il barbiere di Siviglia, naar het gelijknamige stuk van Pierre A.C. de Beaumarchais, die hem weldra ook buiten Italië beroemd maakte. Het is een hoogtepunt in de geschiedenis van de komische opera (opera buffa) en staat op één lijn met het beste van Cimarosa en Mozart op dit gebied. In 1822 bezocht hij Wenen, waar hij met stormachtig succes zijn Cenerentola (Assepoester; 1817) dirigeerde.

In 1824 kreeg hij de leiding van het Théâtre Italien in Parijs. Zijn belangrijkste Franse opera's zijn Le comte Ory (1828) en Guillaume Tell (1829), het hoogtepunt in zijn Parijse carrière. Met dit werk, een zgn. "grand-opéra", oefende Rossini invloed uit op Meyerbeer. De ouverture van deze opera is een geliefd orkestwerk geworden, evenals die van bijvoorbeeld La scala di seta (De zijden ladder; 1812), La gazza ladra (De diefachtige ekster; 1817), l'Italiana in Algeri (1813), Il barbiere di Siviglia en Semiramide (1823).

Ondanks de luie neigingen van Rossini, waardoor hij vlak voor premières vaak in moeilijkheden raakte omdat hij nog iets af moest maken, heeft hij enorm veel geschreven. Hoewel het kan zijn dat die luiheid ook te maken had met zijn welgevulde postuur dat behoorde bij een rijk leven. Er werd verteld dat als hij bij het componeren een blad liet vallen, dat hij dan eerder het blad opnieuw schreef dan dat hij zich bukte om het op te rapen.

Maar in 1829, na de voorstelling van Guillaume Tell, besloot Rossini plotseling er mee op te houden. Er wordt beweerd dat dat kwam omdat hij ontgoocheld was over de operawereld, aangezien hij zich weinig aangetrokken voelde tot de snel terrein winnende Romantiek. Maar het is waarschijnlijker dat hij van zijn welverdiende rust wilde genieten.

Van de schaarse werken die ontstonden in de veertig jaar dat hij nog leefde, zijn de voornaamste een Stabat Mater (1832-1842) en de Petite messe solennelle (1863).

Rossini woonde nu weer afwisselend in Frankrijk en Italië, waar hij o.a. directeur was van zijn oude school, het Liceo Musicale in Bologna (1840-1848). In Parijs hield hij soirées, die bezocht werden door leidende figuren uit het Europese muziekleven van die tijd, o.a. Liszt en Wagner.

De bijgelovige Rossini werd geboren in een schrikkeljaar op 29 februari, en stierf in november op een vrijdag de dertiende.