Scott Joplin (1868-1917)

Scott Joplin werd geboren nabij Linden in Texas, als zoon van Florence Givins en Jiles Joplin. Hij was de tweede van zes kinderen. Na 1871 verhuisde de familie Joplin naar Texarkana in Texas. De moeder van Scott was huishoudster in blanke gezinnen, waar Scott de gelegenheid kreeg zijn muziek te beoefenen. In 1882 kon zijn moeder zelf een piano aanschaffen.

Het was een erg muzikaal gezin. Iedereen bespeelde een instrument of zong. Jiles speelde viool terwijl Florence zong en banjo speelde. Scott speelde viool, piano en kon zingen. In de tachtiger jaren verliet Jiles het gezin nadat hij een andere vrouw had gevonden. Hij bleef echter nauwe banden met hen houden, want later leefde hij zelfs samen met zijn volwassen kinderen.

Aan het eind van de tachiger jaren verliet Joplin het ouderlijk huis om een eigen leven te gaan leiden. Waarschijnlijk heeft hij op de zwarte Lincoln High School in Sedalia gestudeerd. Later vormde hij verscheidene kwartetten en andere muzikale groepen en reisde rond in het midden westen om te zingen. Van zijn optreden op de wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago, waar hij in een band trompet speelde, zijn echter geen nadere gegevens bekend.

In 1895 was Joplin in Syracuse, New York, en verkocht daar twee songs: Please Say You Will en A Picture of Her Face. Maar ondanks al zijn reizen bleef zijn thuisbasis in Sedalia, waar hij als pianist werkte in de Maple Leaf and Black 400 clubs, twee sociaal zwarte clubs voor respectabele heren. Hij wordt verondersteld daar ook aan het George R. Smith College te hebben gestudeerd, al is het niet meer bekend wat.

In 1898 had Joplin zes pianostukken verkocht, meest geavanceerd, melodieus, maar niet erg bijzonder. Eén stuk slechts was ragtime, verder twee songs, twee marsen en een wals. In 1899 verkocht Joplin zijn meest beroemde stuk, Maple Leaf Rag aan John Stark & Son, een muziekuitgeverij in Sedalia. Joplin ontving één cent royalty voor ieder exemplaar en tien vrijë copieën voor eigen gebruik. Dit was een ongebruikelijke regeling, daar de zwarte componisten vaak het slachtoffer waren van blanke uitgevers die misbruik maakten van hun talent. Meestal kregen ze een vast bedrag van 10 tot 20 dollar en niks meer, ook al werd het stuk een hit. Het wordt geschat dat Joplin gedurende zijn leven ongeveer 360 dollar per jaar ontving voor dit werk.

Enkele maanden later voltooide Joplin zijn The Ragtime Dance, een stuk voor vier tot acht dansparen, zanger en pianist. Stark publiceerde het in 1902 na veel protest en het stuk flopte. Dit laatste is geen verrassing. De pianomuziek is niet moeilijk, maar de zang partij vereiste een stembereik van meer dan één octaaf in de hoge registers, moeilijk voor een man om te zingen. Verder was het ook moeilijk om vier dansparen bij elkaar te krijgen om een showdans in te studeren. Later probeerde Stark nog wat inkomsten te verkrijgen door in 1906 een verkorte versie te publiceren, met alleen de pianomuziek. Dit is de versie die we tegenwoordig meestal horen.

In 1901 werke Joplin samen met Scott Hayden aan de Sunflower Slow Drag, nadat hij naar St Louis verhuisde. Hier ontmoette hij Belle Jones Hayden, de weduwe van een oudere broer van Scott Hayden. Joplin trouwde met haar en zij kregen een dochter, die echter al vroeg overleed. Na dit overlijden scheidden de twee. Er zijn geen officiële huwelijks- en scheidingscertificaten, maar dit is niet zo ongewoon gezien de toenmalige gebruiken en de huidskleur van Scott Joplin.

In 1903 vroeg Joplin copyright aan voor een opera: A Guest of Honor. Met een gezelschap van meer dan twee dozijn repeteerden ze en gingen ze op een tournee door vijf staten. Helaas mislukte deze onderneming omdat iemand de kas met entree gelden had gestolen, waardoor een faillissement niet te vermijden was. Alle copieën van de opera en veel persoonlijke bezittingen van Joplin werden in beslag genomen. Ongelukkigerwijze is deze opera verloren gegaan omdat de copieën die nodig waren om het copyright vast te leggen nooit door de Library of Congress werden ontvangen. Het wordt aangenomen dat de mars Antionette een stukje is uit deze opera, maar dit kan nooit meer definitief worden bevestigd.

In 1903, na het mislukken van zijn opera, bezocht Joplin Arkansas waar hij een 19 jarige vrouw ontmoette, Freddie Alexander, aan wie hij later het stuk The Chrysanthemum opdroeg. Joplin trouwde haar in 1904 en nam haar mee naar Sedalia. Hoe treurig echter, Freddie kreeg een longontsteking en stierf enkele maanden later. Er wordt verondersteld dat dit de enige vrouw was van wie Joplin echt heeft gehouden. Bovendien, van zijn drie huwelijken is dit het enige waarvan een certificaat bewaard is gebleven.

De volgende twee or drie jaren was voor Joplin een crisis tijd, dankzij het falen van zijn opera. Hij publiceerde veel goede stukken, maar er waren geen spectaculaire bij.

In 1907 verhuisde Joplin naar New York, waar hij de rest van zijn leven verbleef. Hij raakte bevriend met Josph Lamb (één van de andere drie Groten der Ragtime. de derde was James Scott). New York stimuleerde Joplin zijn creativiteit. Hij publiceerde veel juweeltjes van ragtime, zoals de: Pine Apple Rag, Solace en Euphonic Sounds.

In 1910 voltooide Joplin een tweede opera: Treemonisha. Ondanks een paar wondermooie stukken, zoals Aunt Dinah Has Blowed De Horn en A Real Slow Drag, kreeg de opera geen succes. Er is geen gesproken dialoog en veel liederen zijn moeilijk te verstaan. Hoewel het stuk de noodzaak van goed onderwijs voor het Afrikaanse volk aantoonde, was het volk van Joplin nog niet rijp voor deze lessen. Ogenschijnlijk liet het werk aan deze falende opera weinig tijd voor andere composities. Van 1911 to 1917 publiceerde Joplin slechts drie ragtime melodieën.

In 1916 leed Joplin al aan de gevolgen van een terminale syphilis. Waarschijnlijk heeft hij deze ziekte al ver voor 1910 opgelopen in één van de grote steden waar hij werkte. In januari 1917 werd hij in het ziekenhuis opgenomen, waar hij op 1 april stierf. Zijn overlijden haalde de kranten niet, om twee redenen: ragtime muziek werd in die dagen al verdrongen door de jazz muziek, en bovendien raakte op die datum de Verenigde Staten betrokken bij de eerste wereldoorlog.

Joplin werd begraven op St. Michael's Cemetary, in de wijk Astoria van Queens, naar het schijnt een armoedige begraafplaats. Het was een simpele plechtigheid, slechts bijgewoond door de derde vrouw van Joplin, Lottie Stokes, en enkele vrienden die toevallig in New York waren. Tegen de wens van Joplin in, liet Lottie niet de Maple Leaf Rag spelen op zijn begrafenis, een beslissing die zij nog veertig jaren lang tot haar dood heeft betreurd.