Vincenzo Bellini (1801 - 1835)

Vincenzo Bellini werd geboren in Catania op 3 november 1801, als een telg uit een zeer muzikale familie. Hij was een lang blonde Siciliaan met blauwe ogen. Desondanks had hij problemen met zijn liefdesleven en is nooit getrouwd. Dit is misschien te verklaren door het feit dat hij gedurende zijn korte leven volkomen in beslag werd genomen door zijn werk en veel heeft gereisd.

Bellini begon zijn muzikale studie aanvankelijk binnen het gezin. Zijn vader was organist. Als jongeman won hij met zijn kerkelijke muziek een beurs voor het Koninklijk Conservatorium van Napels, waar hij acht jaar zal studeren. Hij leerde er de werken van Haydn, Mozart en Pergolesi grondig kennen. Tijdens deze periode oogstte hij veel succes met zijn eerste opera Adelson e Salvini (1825), die hem ook nog een opdracht leverde van de beroemde San Carlo Opera in Napels voor een nieuwe opera. Dit werk Bianca e Fernando (1826) werd eveneens een succes.

Niet lang daarna ontmoette hij de impresario Domenico Barbaja, die de jonge componist de opdracht gaf om voor de Scala van Milaan een opera te componeren. Deze opera, de Il Pirata (1827), werd niet alleen een succes voor Bellini, maar ook voor twee zangers Rubini en Tamburini. Na de opvoering van dit stuk was hij een beroemd componist geworden.

Veel operacomponisten hebben de pech gehad te moeten werken met slechte librettisten, hetgeen hun reputatie zelden goed kon doen. Wat dit betreft heeft Bellini het geluk gehad te mogen samenwerken met de librettist Felice Romani, die meer dan honderd libretto's schreef. Deze samenwerking was voor beiden zeer succesvol: La Strangiera (1829), I Capuleti e i Montecchi (1830) en vooral La Sonnambula en Norma (beide 1831).

Een niet zo`n goede eigenschap van Vincenzo was zijn jaloersheid tegenover zijn collega-componisten, vooral ten opzichte van Donizetti, die in staat was in een paar maanden tijd een opera te schrijven. Bellini componeerde veel trager. Maar als hij te haastig schreef verloren zijn werken aan kwaliteit. Dit uitte zich in zijn opera Zaira, die hij voor Parma schreef. Het werd een flop. Ook met Beatrice di Tenda gebeurde dit, hetgeen leidde tot onenigheid met Romani.

In deze periode begon Bellini een verhouding met de vrouw van een rijke zakenman, Giuditta Tarina. Een verhouding die vijf jaar zou duren en waarover veel geroddeld werd. Uiteindelijk verbrak Bellini de relatie. Daarna scheen hij erg bang te zijn geworden voor vaste relaties.

Bellini vertrok uit Italië, reisde eerst naar Londen en vestigde zich vervolgens in Parijs, waar hij een geziene gast werd in het kunstenaarsmilieu. Hier oogste hij zijn laatste, en misschien ook zijn grootste succes met I Puritani (1835), een opera over Cromwell. In het najaar brak er een cholera epidemie uit in Parijs. Bellini vertrok naar Engeland, maar het was al te laat. Enkele maanden na de première overleed de componist. Hij stierf er in het buitenhuis van een rijke Engelse vriend, op 23 september 1835, een paar weken voor zijn 35e verjaardag.

In tegenstelling tot Rossini schreef Vincenzo Bellini opera's met lyrische en expressieve muziek. Wagner en Chopin waren grote bewonderaars van deze Italiaan. De hoofdfiguren in zijn opera's zijn bijna altijd vrouwen en in elke opera is er minstens één sopraanaria, die, mits goed uitgevoerd, het emotionele hoogtepunt van de opera vormt. De werken van Bellini missen de dramatische expressitiviteit van Verdi. Maar zijn pure onschuldige melodiën kunnen nu nog een magisch effect bereiken.